Elke hond of kat die naar het buitenland reist, moet naast de gewone jaarlijkse inentingen ook gevaccineerd worden tegen hondsdolheid (rabiës). De invoereisen kunnen per land verschillen. Bij de eerste inenting tegen hondsdolheid moet deze minstens 21 dagen voor vertrek worden toegediend. Sommige landen vereisen een bloedanalyse. Daarnaast moet het dier aan bepaalde voorwaarden voldoen: het moet gechipt en geregistreerd zijn en in het bezit zijn van een geldig Europees paspoort.
Alle dieren die binnen de EU reizen, moeten gevaccineerd zijn tegen hondsdolheid. De vaccinatie is 21 dagen na toediening geldig, of onmiddellijk als het gaat om hervaccinatie, zolang de vorige vaccinatie nog geldig was. De geldigheidsduur van de vaccinatie is binnen de EU drie jaar.
Dieren jonger dan 15 weken kunnen geen geldige vaccinatie tegen hondsdolheid hebben gehad en mogen niet naar andere landen reizen.
Als u met vijf of meer dieren reist, moeten ze een klinisch onderzoek ondergaan. Het paspoort moet dan aangevuld worden met een certificaat, uitgegeven door de Provinciale Controle Eenheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).
Voor reizen naar Ierland, Finland, Malta of het Verenigd Koninkrijk is een behandeling tegen de worm Echinococcus multilocularis noodzakelijk. Deze behandeling moet tussen 120 en 24 uur voor de geplande binnenkomst in een van deze landen plaatsvinden.
Dieren die buiten de EU reizen, moeten naast de bovengenoemde voorzorgsmaatregelen ook een bloedonderzoek ondergaan. Dit moet ten minste 30 dagen na de vaccinatie en 3 maanden voor vertrek gebeuren. Het bloedonderzoek moet aantonen dat het dier voldoende antistoffen tegen hondsdolheid heeft opgebouwd, wat betekent dat de vaccinatie effectief is. Het bloedonderzoek moet uitgevoerd worden in een door de EU erkend laboratorium. Dit onderzoek is verplicht voor reizen naar landen buiten de EU, tenzij anders aangegeven door het FAVV.